Special: het Romeinse leger

Het Romeinse leger

Legereenheden

Het Romeinse leger kent een zeer uitgebreide organisatiestructuur, met allerlei soorten troepen en eenheden. Dat geldt zowel voor de legioenen als voor de hulptroepen. Het Nederlandse deel van de Romense Rijksgrens wordt vooral bewaakt door hulptroepen (auxilia). Er is meestal maar één legioen aanwezig: in Nijmegen-Hunerberg.

Legioen

Elk legioen heeft een naam en een nummer, zoals de legio X Gemina die lange tijd in Nijmegen gelegerd was.

Een Romeins legioen bestaat uit 10 cohorten, aangevuld met 120 cavaleristen per legioen. De verdere onderverdeling is:
een cohort =  480 soldaten, oftewel 3 manipuli;
een manipel =  160 soldaten, oftewel 2 centuriae;
een centuria =  80 soldaten, oftewel 10 contubernia;
een contubernium =  8 soldaten.

In totaal heeft een legioen 6.400 manschappen, waarvan er dus ongeveer 4.900 tot de gevechtstroepen, de equites legiones, behoorden. De rest van het legioen bestaat uit staf (voor ieder cohort 25 man), honderden soldaten voor de bemanning van de wachtposten en immunes: van andere taken vrijgestelde specialisten zoals dokters, timmerlui, jagers, trompettisten en vaandeldragers.

De bevelhebber van het legioen heeft de titel legatus legionis en behoort tot de senatorenstand. Hij heeft een staf van zes hoge officieren, de tribunen. De aanvoerder van een centuria heet centurio.

Hulptroepen (Auxilia)

Het Nederlandse deel van de Limes wordt vooral bewaakt door hulptroepen. Deze bestaan meestal uit peregrini (vreemdelingen). De Romeinen sluiten vaak bondgenootschappen met stammen in recent veroverde gebieden. De
‘vreemdelingen’ in de hulptroepen zijn vaak leden van deze stammen. De bondgenoten van de Romeinen in Nederland zijn de Friezen, Bataven en Cananefaten. Zij leveren dan ook soldaten voor de hulptroepen. Deze soldaten worden vaak in hun eigen omgeving gelegerd. Dat verandert nadat zij tijdens de Bataafse opstand de kant van de rebellen kiezen.

Culturele mengelmoes

In de Nederlandse castella zijn onder meer hulptroepen geweest uit Noord-Afrika, Oostenrijk, Gallië, Engeland, Spanje en de Balkan. Dit is te zien aan de namen van de eenheden. In Traiectum (Utrecht) lag bijvoorbeeld lange tijd een eenheid Spaanse infanteriesoldaten: het cohors II Hispanorum peditata. De soldaten uit de legioenen waren altijd Romeinse burgers (met de rechten van dien), maar niet per se Italiaans. Er waren bijvoorbeeld ook Franse, Spaanse en Griekse legionairs.

Romanisatie

Een Romeins legerkamp bestond dus uit een mengelmoes van allerlei culturen. Het leger kreeg daardoor een belangrijke rol in de romanisatie van inheemse stammen. Naast vechttechnieken en organisatievormen, verspreidde het leger ook culturele en godsdienstige idealen. In een afgelegen gebied als Nederland was het leger zelfs de belangrijkste bron van de Romeinse cultuur.

Rekrutering en training

Een  militair bestaan biedt in de Romeinse tijd vele voordelen: het betaalt uitstekend, de leefomstandigheden zijn goed en er zijn zelfs carrièremogelijkheden..

Een rekruut moet wel aan een aantal eisen voldoen, zoals:
– gezond en sterk zijn;
– een minimale lengte van 1.75 m hebben;
– bij voorkeur tussen de 18 en 23 jaar zijn, met een maximum leeftijd van 35 jaar;
– een goede referentie hebben.
Voor de legioenen geldt ook nog de eis dat een rekruut het Romeins burgerrecht moest bezitten. Als hij is aangenomen, moet de rekruut de militaire eed van trouw afleggen en kan de training beginnen.

Die training omvat lange marsen met volle bepakking, oefeningen voor kracht en behendigheid en wapen- en oorlogstraining. Als er water in de buurt is, moet de toekomstige soldaat ook nog leren zwemmen.

Uitrusting Romeinen

Een soldaat gaat gekleed in een lang wollen hemd (tunica) met daaroverheen een harnas van metalen ringetjes of stroken ijzer. Over het harnas komt soms een mantel, vastgemaakt met een kledingspeld (fibula). Aan zijn voeten heeft hij leren sandalen, beslagen met spijkers. En op zijn hoofd een bronzen of ijzeren helm met wang- en nekbescherming.

Iedere soldaat heeft een schild, met aan de buitenkant een schildknop (umbo). De wapenuitrusting bestaat uit twee speren en een kort zwaard (gladius). Veel soldaten dragen als aanvulling een dolk (pugio) aan hun riem.

De uitrusting van de soldaten uit de hulptroepen is meestal beperkter en van mindere kwaliteit dan die van hun collega’s in de legioenen. Dat geldt ook voor de onderkomens. Soldaten uit de hulptroepen krijgen ook nog eens veel minder betaald: maar éénderde van het salaris van een legionair.

Werk en vrije tijd

Zelfs als er geen gewapende strijd is, heeft het leger veel te doen. Naast het toezicht op de grens moet er ook gezorgd worden voor aanleg en onderhoud van forten, wegen, bruggen, opslagplaatsen en wachtposten. Zeker in Nederland is dit een zwaar en omvangrijk karwei.

Op de legerplaats krijgen de soldaten gevechtstrainingen en verrichten zij allerlei taken. Zo produceren zij er aardewerk, glas, tegels en dakpannen. Dakpannen krijgen het stempel van de legereenheid. Voor hedendaagse archeologen is dat erg handig:  door die stempels weten zij precies welke eenheden er op een bepaalde plaats gelegerd waren.

In hun vrije tijd kunnen de soldaten spelletjes spelen of het badhuis bezoeken. De Romeinen vinden een goede lichaamsverzorging belangrijk en bouwen dus bij ieder legerkamp een badhuis. Sommige soldaten brengen hun vrije tijd door met hun vriendin en eventuele kinderen die in het kampdorp wonen.

Na 25 jaar trouwe dienst

Als een soldaat uit de hulptroepen het zware militaire bestaan 25 jaar heeft volgehouden, wordt hij rijkelijk beloond. Hij krijgt het begeerlijke Romeins burgerrecht en de bijbehorende driedelige naam. Hij mag eindelijk trouwen. Zijn vrouw en nakomelingen ontvangen ook het Romeinse burgerrecht. Bovendien wordt aan de veteraan meestal ook een stuk land toegewezen.